Een goed kampvuur is belangrijk. Je kan je er goed aan warmen, je kan er op koken en je kan je natte spullen er bij laten drogen. Daarnaast spreekt het kampvuur hele primitieve gevoelens van knusheid in de mens aan. Ik ken eigenlijk niemand die een kampvuur onaangenaam of irritant vindt. Het hele verhaal valt of staat natuurlijk bij het feit of je het wel of niet aankrijgt. Gelukkig is dit vrij simpel te leren. We zullen doornemen welke houtsoorten geschikt zijn om te branden, hoe je het vuur het beste kan opbouwen en wat je thuis kan voorbereiden.
Voor een vuur heb je drie dingen nodig: zuurstof (lucht), brandstof (in ons geval hout) en voldoende warmte. Hoeveel warmte je nodig hebt hangt af van de brandstof. Zo weet je dat je bij een brandstof als benzine heel weinig nodig hebt om het te ontvlammen. Bij hout zul je meestal wat meer je best moeten doen om de boel aan de gang te krijgen. Het vuur zal warmer worden als je meer zuurstof toevoert. De andere kant van de medaille is dan dat je wel sneller door je brandstof heen zal gaan. Met minder zuurstof brandt het minder hard, en zal het vuur gaan gloeien.

Rook is een gevolg van onvolledige verbranding. Zorg voor voldoende zuurstof in je vuur en gebruik geen naaldhout als je zeker wilt zijn van een rookvrij vuur. Om die zuurstof binnen te laten moet je opletten dat je het vuur niet verstikt. Smijt dus niet zomaar een stapel hout op elkaar, want dan kan er niet genoeg lucht tussen. Als je vuur warm genoeg is en je geen nat hout gebruikt dan zal je vuur zo min mogelijk roken.
Natuurlijk hebben we voor een goed vuur een flinke voorraad hout nodig. Als scout ga je goed met de natuur om, al was het maar omdat je wilt dat je voorraad brandhout zichzelf blijft aanvullen. Sprokkel dus altijd dood hout en leg het, als dat kan, bij je clubhuis of bivak te drogen. Verdeel je voorraad in drie stapels, die oplopen in grootte.
De eerste (kleine) stapel is de tondel. Dit is het kleinste spul dat je gebruikt om het vuur mee aan te steken. Een goed voorbeeld hiervan is berkenschors. Haal dan het buitenste laagje, ook wel het 'papier' genaamd, (dat vaak al los zit) van de berkenboom. Let daarbij goed op dat je de bast zelf niet beschadigt. Stukken bast die je op de grond ziet liggen zijn ook geschikt maar zijn vaak natter. Bewaar je tondel op een droge plek.

De tweede voorraad is het aanmaakhout. Dit zijn de kleine takken die door de tondel aan worden gestoken en die op hun beurt weer de grotere balken aan moeten steken. Zachte houten zijn hier erg geschikt voor. Die branden wel sneller en je hebt er dus wat meer van nodig. Hars houdend hout is ook erg geschikt. Het zal wat vonken, maar het brand wel goed. Dit aanmaakhout moet wel droog zijn. Met tondel alleen zul je normaal niet genoeg warmte hebben om nat aanmaakhout droog te stoken.
De derde en grootste voorraad is het grotere hout. Dit is het hout waarop je vuur uiteindelijk moet branden. Gebruik hiervoor de hardere, zwaardere houtsoorten. Deze produceren ook prima kolen. Op die hete kolen is het gemakkelijk om je vuur uren aan de gang te houden. Als je geen droog hout hebt is het een goed plan om met een kloofbijl of gewone bijl je balken te splijten. Het hout in de kern is vaak een stuk droger.
Voordat we het vuur gaan opbouwen kijken we eerst eens naar de plaats waar we gaan stoken. Let op de volgende punten:
Denk aan je kleding. Zorg dat je geen snel brandbare kleding aan hebt. Een fleecetrui is lekker warm als je 's avonds een vuurtje moet opbouwen maar smelt heel snel als het warm wordt. Doe liever een paar lagen veiliger kleren aan. Op die manier kun je ook later nog eens een laagje uitdoen als het door het vuur te warm is geworden.
Een vuur kan je op vele verschillende manieren opbouwen. Voor een overzicht met technieken en eigenschappen klik je een type aan in het rechtermenu.
Elke manier van opbouwen heeft met elkaar gemeen dat de tondel in het midden komt te liggen. Van daaruit worden de takken en balken naar buiten toe steeds dikker. Je steekt de tondel door een opening aan en hoopt dat het de omliggende takken aan zal steken. Blaas eerst voorzichtig en daarna iets harder om het beter te laten branden. Blaas nooit tegen de wind in.

Zorg dat de tondel lang genoeg blijft branden en dat de vlammen (die natuurlijk naar boven gaan) ook echt wat hebben om aan te steken. Je moet er wel op letten dat je aan de andere kant ook weer niet te gretig bent en er meteen een boel hout bovenop gooit. Je zal het vuur dan verstikken. Vergeet de vuurdriehoek niet! Werk zo steeds een stapje groter tot je de grote blokken aan het branden hebt en je goede kolen hebt die heet genoeg zijn om nieuw hout te ontbranden. Als je zover bent kun je rustig achterover leunen in de kampvuurkuil, want het vuur zal voorlopig niet uit gaan. Af en toe een blokje erbij en wat hout te drogen leggen en je kan er zonder problemen een hele lange avond van maken.
Als je wilt koken op het vuur, zorg dan dat je snel een boel licht hout verstookt, zonder het vuur te verstikken. Het koken gaat namelijk het beste en het schoonste op hete kolen. Dat scheelt je weer een paar zwart geblakerde hamburgers. Heb je geen haast? Leg er dan een paar kleine stukken van harder hout op. Die branden minder snel, maar leveren mooiere kolen op. Laat jezelf (tenzij je echt haast hebt) niet verleiden tot het koken in de vlammen van het aanmaakhout. Je pannen worden zwart, tenzij je ze ontzettend goed hebt ingesmeerd met groene zeep en de vlammen zijn bovendien een stuk minder heet dan gloeiende kolen.
Je kunt stenen als steun of als afbakening gebruiken bij de opbouw van je vuur. Een groot voordeel van stenen is dat ze heel goed warmte vasthouden. Je kunt zo bijvoorbeeld heel mooi koken in de resten van je kampvuur. Maar we willen je vooral op het hart drukken op te passen met stenen. Gebruik nooit natte stenen, poreuze stenen, leisteen en andere zachte stenen. Je kan de stenen testen door ze tegen elkaar te slaan. Het gevaar zit hem erin dat het water snel zal uitzetten als de stenen in of naast het vuur liggen. De steen kan zo uit elkaar spatten. Pas dus erg goed op!

Als stoker ben je niet alleen verantwoordelijk voor de gang van zaken tijdens de opbouw en tijdens het kampvuur of het koken, maar ook voor het netjes achterlaten van de stookplaats. Zorg ervoor dat het vuur helemaal uit is op het moment dat je vertrekt. Denk niet dat die laatste paar gloeiende kolen onschadelijk zijn. Een licht briesje kan de smeulende kolen alweer doen ontvlammen en zo kan het hele vuur weer oplaaien. Zorg dus dat je je vuur goed dooft met water of zand.

© Waterscouting.com