Typen wachtschepen

Nederland kent van oudsher twee traditionele scheepstypen: de aak en de tjalk. Na 1885 werden ook ‘moderne’ schepen gebouwd, zoals de klipper en de steile steven die van ijzer of staal waren. Schepen die met verschillende moderne en/of traditionele scheepsvormen werden gebouwd, worden kruisingen genoemd.

Al deze schepen zijn in de wachtschepenvloot vertegenwoordigd en worden hieronder beschreven. Tot slot volgt een restcategorie, waarin alle bijzondere schepen besproken worden.

Traditioneel scheepstype I: De Aak


Foto: Wachtschip d'Artagnan, Tiflogroep, Aalsmeer
Foto: Wachtschip d'Artagnan, Tiflogroep, Aalsmeer

In tegenstelling tot de meeste schepen heeft de aak geen loodrechte constructiebalk waar de beide scheepswanden samenkomen en aan elkaar worden bevestigd, oftewel de boeg. Naast dit ontbreken van een (in scheepsjargon) ‘steven’ kenmerkt dit type zich door een bolling in het voor- en achterschip. De wachtschepenvloot telt vier aken. Hierboven staat een Hagenaar, die zijn maten te danken heeft aan de grachten en bruggen van Den Haag.

Traditioneel scheepstype II: De Tjalk


Ook de Tjalk heeft ronde bollingen in voor- en achterschip. De steven is iets naar binnen gebogen en wordt daarom ook wel ‘kromsteven’ genoemd. Een brede bodem met ‘ronde kim’, dat wil zeggen een geleidelijke overgang van scheepwand naar scheepsvlak, maakte de tjalk zeer geschikt voor ondiepe wateren. De naam tjalk komt reeds in de zeventiende eeuw voor en in de loop der tijd zijn er meer dan dertig verschillende types ontstaan. De wachtschepenvloot is drie tjalkachtige schepen rijk.

Modern scheepstype I: De Klipper


Foto: Alewijn de Groot, Burg. van Haren, Schiedam
Foto: Alewijn de Groot, Burg. van Haren, Schiedam

De klipper is geïnspireerd op de grote, imposante en zeegaande clippers uit Engeland en de Verenigde Staten. Het laatste stuk van een klipperboeg komt als een omgekeerde patatzak samen. Met deze boeg kan scherper ‘aan de wind’ gezeild worden. Het uiterste puntje helt vaak iets voorover om de lijnen van het schip extra te modelleren. Het achterschip heeft een ovalen hek. Een ander verschil met de traditionele Nederlandse binnenschepen is de plaatsing van het roer. Deze is niet aan de achtersteven gehangen, maar onder het achterschip bevestigd. Daarom heeft men op een klipper geen helmhout beet, maar een stuurwiel. Van de vier klippers die de wachtschepenvloot rijk is, is de in 1875 gebouwde Alewijn de Groot de oudste. Deze klipper (zie foto) van de Burgemeester Van Haarengroep uit Schiedam is tevens het oudste schip onder de schepen die ingeschreven staan bij de Landelijke Vereniging tot het Behoud van het Historisch Bedrijfsvaartuig (LVBHB).

Modern scheepstype II: De steile steven


Foto: Wachtschip Clasina, President Steyn, Diepenveen - Steilsteven
Foto: Wachtschip Clasina, President Steyn, Diepenveen - Steilsteven

Het algemene kenmerk van de steile steven is haar strakke, bijna loodrecht op het water staande boeg. Het achterschip heeft een ‘geveegde kont’, die schuin naar onder het water in loopt. Dit zijn echter zeer algemene kenmerken. Een nadere onderverdeling is noodzakelijk om de verschillende vormen van dit scheepstype in beeld te brengen. Zo is er ten eerste de steilsteven zelf. De steven is recht terwijl de kont bolvormig is. De kimmen, ofwel de zijgedeelten van het schip waar het water begint en de wand overloopt naar het vlak, zijn ronder dan andere steile stevens. De wachtschepenvloot telt twee steilstevens.
De steile steven met de meest spitse lijnen is de luxe motor. Dit veelgeziene binnenschip dankt zijn naam aan de motor waarmee het schip afgeleverd werd. Daarnaast is het schip ‘luxueus’ te noemen door de stuurhut, aan het begin van de twintigste eeuw een nieuwe fenomeen in de Nederlandse binnenvaart. Het achterschip loopt in vergelijking met andere steilstevens veel scherper en geveegder onder het achterschip naar de waterspiegel toe. Dit komt de snelheid van het schip ten goede. Het water wordt eerder ‘losgelaten’ dan bij een vollere, meer aakachtige kont. De luxe motor is met tien stuks sterk vertegenwoordigd in de wachtschepenvloot. Een steile steven met dezelfde lijnen als de luxe motor, maar zonder stuurhut, is de Katwijker. De wachtschepenvloot is twee Katwijkers rijk.

Steile stevens waarvan de boeg wat voller en minder spits dan de luxe motor is, kunnen onder de ‘kastachtigen’ gerekend worden. Waarschijnlijk stamt deze typering uit de vergelijkingen met een kast. Net als een kast zijn de kastachtige schepen lang en recht. De zijkanten van het schip hebben weinig rondingen, ‘zeeg’ in vaktermen. Een bekende kastachtige is de sleepkast die speciaal gebouwd is om te slepen. De Friese maatkast is gebouwd op de ‘Friese maat’; ze zijn niet groter dan 31,5 meter lang, 6,3 breed en 2,2 meter diep. Werden de kasten langer, breder of dieper gebouwd, dan mochten zij van Rijkswaterstaat niet op de Friese kanalen komen. Een andere kastachtige met speciale maten is de kempenaar. Haar afmetingen zijn gebaseerd op de sluizen van de Zuid-Willemsvaart. Dit kanaal was tot 1936 de enige maritieme verbinding vanuit Nederland naar het industriegebied rondom Maastricht en Luik. De wachtschepenvloot telt acht kastachtigen, waaronder één sleepkast, vijf Friese maatkasten en twee kempenaars.
Een zeldzame steile steven is de kraak. De kraak heeft de vorm van een kast, hoewel de scheepswanden spitser naar elkaar toelopen. De uiterste punt van de boeg loopt met een knik naar binnen toe. Er varen een tweetal kraken onder de wachtschepenvloot.

Kruisingen en andere typen


De schepen die niet tot de aken, tjalkachtigen, klippers of steile stevens gerekend kunnen worden, kunnen kruisingen zijn. Zo telt de wachtschepenvloot een klipperaak en een stevenaak, die uitgerust zijn met gecombineerde kenmerken van de vier hierboven beschreven categorieën.

Een ander karakteristiek type schip is de spits (foto: Corrie, Vita Nova, Schagen). De spits heeft, in tegenstelling tot wat haar naam doet vermoeden, een volle boeg en kont. Net als de maten van de Kempenaar zijn haar afmetingen gebaseerd op het Zuid-Willemskanaal. Spitsen voeren oorspronkelijk veel op Frankrijk en België en zijn in tweevoud aanwezig in de vloot van wachtschepen.

Een uniek exemplaar in de vloot betreft het torpedo inschietvaartuig. Het schip is gebouwd om onderzeeërs te voorzien van torpedo’s. Ten slotte telt de wachtschepenvloot twee oude veerponten die personen in het havengebied van Rotterdam hebben vervoerd.

© Waterscouting.com