Wanneer we kijken naar het dagelijks leven van de Waterscout zien we dat school nog steeds een grote rol speelt. Met de overgang van de basisschool naar het middelbaar onderwijs veranderen er dingen in de manier waarop school een rol speelt. De middelbare school geeft het kind meer verplichtingen, het volgen van lessen en het maken van huiswerk, maar het geeft het kind ook een eigen verantwoording wat betreft planning en uitvoering. Deze levensfase wordt dan ook gekenmerkt door het verkrijgen van autonomie(zelfstandigheid).
Wat betreft de cognitieve ontwikkeling (het denken) is er duidelijk een verandering in houding ten aanzien van kennis en kennisverwerving te merken. De Scout leert op een andere manier de informatie te verwerken en begint een abstracte logica te ontwikkelen (formeel-operationeel denken). Argumentatie en redenatie spelen hierin een belangrijke rol. De Waterscoutis steeds opzoek naar het wáárom en hoe van dingen. Ze beginnen de mogelijkheden in te zien en leren hiermee hypothetisch (als…dan) te kijken naar dingen.
De grootste veranderingen voor de Waterscout vinden plaats op het fysieke vlak: de groeispurt. In deze periode is het lichaam voortdurend aan veranderingen onderhevig. Armen en benen worden langer en het spierweefsel(jongens) en vetweefsel(meisjes) neemt toe. Ook de hart- en longcapaciteit vergroot zich in deze periode. De eerste Waterscouts zullen ook te maken krijgen met hormonale veranderingen en alle gevolgen van dien. Opvallend in deze periode is het verschil in lichamelijke veranderen tussen de kinderen. Het ene kind begint al heel vroeg aan de spurt, terwijl het bij andere kinderen langer op zich laat wachten. Deze verschillen zijn heel belangrijk voor de Waterscout in deze levensfase en je ziet dan ook dat het verschil tussen jongens en meisjes groter is dan ooit.
Al die veranderingen van het lichaam en de manier van denken hebben ook zo hun doorslag naar de sociale wereld van de Waterscout. Zoals net al verteld zijn er grote verschillen tussen de jongens en de meisjes, maar ook binnen de geslachten. De kinderen zijn erg bezig met hoe de buitenwereld hen ziet, verwachtingen van anderen, en hoe ze graag gezien willen worden (rol-taking). Dit gaat gepaard met evenveel zekerheden als onzekerheden die ook weer samenhangen met de behoefte aan autonomie. Leeftijdsgenoten spelen een belangrijke rol hierin om die rollen te oefenen, maar ook voor steun en opvang. Immers, ze zitten allemaal in hetzelfde schuitje.
We kunnen besluiten dat het leven van de waterscout aan de ene kant gekenmerkt wordt door veel structuur die ze binnen de middelbare school leren, maar aan de andere kant zijn er ook ontzettend veel onzekerheden waar ze misschien niet direct vat op kunnen krijgen. Deze dingen zijn zeker niet onbelangrijk om te bedenken wanneer je kijkt naar de manier waarop scouting een rol speelt bij de ontwikkeling van het kind.
Vooral het leren roeien en zeilen is een van de grotere uitdagingen die ze zullen ontdekken. Als gevolg van hun ontwikkeling in logisch denken zal de Waterscout proberen alles te beredeneren. Tegelijkertijd kunnen ze hun abstracte kennis gelijk uitproberen in de praktijk, waardoor het leereffect extra groot zal zijn. Belangrijk is dan ook dat je zowel in theorie als in de praktijk het kind probeert te stimuleren in hun redenaties, maar dat je de Waterscout zijn/haar redenatie ook laat toetsen aan de werkelijkheid (de brug tussen theorie en praktijk).
Het zeilen en roeien betekent naast een uitdaging ook het krijgen van verantwoording. Sommige kinderen kunnen dit aan, maar anderen worden hier erg onzeker van. De Waterscouts staan wat betreft die verantwoordingen autonomie in een tegenstelling: aan de ene kant willen ze graag zelf dingen doen, maar aan de andere kant willen ze ook nog veilig kind kunnen zijn. Het is goed om als leidinggevende te kijken hoe het kind met de verantwoording omgaat en ervoor ze zorgen dat je de Scout dat extra steuntje in de rug kunt geven als het gaat om deze onzekerheden.
Naast de activiteiten speelt ook het sociale aspect van Scouting een belangrijke rol. Bij de jongens speelt het fysieke een belangrijke rol: de spierkracht, de snelheid. De meisjes zullen er veel aan het kletsen zijn als gevolg van hun verbale ontwikkeling. Je merkt hier ook duidelijk de distantie tussen jongens en meisjes. Het is goed om daar, als leiding zijnde, rekening mee te houden. Aan de ene kant moet je die distantie proberen wat af te zwakken, maar aan de andere kant zullen jongens en meisjes zich misschien wat ongemakkelijk voelen tegenover elkaar. Zolang je hiervan bewust bent is het makkelijker om beslissingen te maken die aansluiten bij de groep.
Kortom, Scouting sluit ontzettend goed aan bij het streven naar autonomie en het logisch redeneren van de Waterscout. Je zult merken dat de oudere Waterscouts de jongere kinderen erg veel kunnen leren en steunen. Het kan nooit kwaad dit te stimuleren, want het experimenteren met autonomie en redenatie is het “veiligst” tussen leeftijdsgenoten. Aan de ene kant moet je de zelfstandigheid motiveren, maar je moet ook vooral opletten of het kind dit wel kan. Zorg dat je uitlegt wáárom je dingen op een bepaalde manier doet, dat geeft de Scout inzicht en bevordert het zelfstandig denken.
© Waterscouting.com