Meteorologie (Moes)

door: Moes
22 februari 2004
Het weer is in Nederland een van de meest geliefde gespreksonderwerpen. Erwin Kroll kan er wat van: lange verhalen over weer, wind, drukgebieden en depressies . Maar ook in het dagelijkse leven bestaat er bijna geen gesprek waarin niet even over het weer gesproken wordt. Eigenlijk doet iedereen dus een beetje aan meteorologie, oftewel: weerkunde.

Ook voor waterscouting is het weer van belang. Het is altijd goed te weten wat de weersverwachtingen zijn als je een dag gaat zeilen. Windkracht, windrichting, temperatuur; het heeft allemaal met meteorologie te maken. Daarom hier een column over het weer.

Het weer in Nederland wordt bepaald door de ligging en verplaatsing van hoge- en lagedrukgebieden. Maar wat zijn dat nu eigenlijk? De aarde is omgeven door een luchtlaag, die met zijn gewicht op de aarde drukt: de luchtdruk (ongeveer 1kg/cm). De luchtdruk kan gemeten worden door middel van bijvoorbeeld een barometer en wordt dan uitgedrukt in bar of in Pascal. De luchtdruk is niet overal gelijk, maar verschilt van plaats tot plaats en is steeds aan veranderingen onderhevig.

De natuur streeft naar een evenwicht waardoor lucht van plaatsen met een hoog drukgebied naar plaatsen met een lag drukgebied zal gaan stromen. Deze luchtstroom noemen we wind. Door de draaiing van de aarde wordt deze luchtstroom zijwaarts afgebogen. Op het Noordelijk halfrond is dit een afbuiging naar rechts en op het zuidelijk halfrond naar links. De lucht ‘spiraalt’ nu als het ware uit het hogedrukgebied naar het lagedrukgebied.

Een hogedrukgebied heeft een barometerstand van boven de 1010 hectopascal (hPa) en beslaat een vrij grote oppervlakte, maar blijft vrijwel op dezelfde plaats hangen. Een hogedrukgebied zorgt over het algemeen voor weinig wind, geen neerslag en geen bewolking en soms voor een onweersbui. In de zomer zorgt dit drukgebied voor zeer hoge temperaturen en in de winter voor juist zeer lage temperaturen.

Een lagedrukgebied, ook wel depressie genoemd, herken je aan een barometerstand beneden de 1005 hPa. In tegenstelling tot het hogedrukgebied heeft een lagedrukgebied een kleine oppervlakte en verplaatst het zich snel in een relatief korte tijd. Voor een lagedrukgebied uit komt er vaak motregen en een matig zicht. Na een depressie verschijnen er stapelwolken met regenbuien en windstoten.

Als we het zo bekijken zorgt een hoogdrukgebied dus voor mooi weer, maar voor ons niet zo handig omdat er dan weinig wind staat. Een lagedrukgebied is idealer qua wind, maar wil de zeiltocht nogal eens verpesten door een regenbui of een onweersbui.

Bron: ZA-Instructie boek versie 1.0 (1996/1997)
Samenstellers: J.D Hogerland & M. de Haas
Uitgave: Zeeverkennersgroep Greate Pier te Sneek

© Waterscouting.com