Het kompas is het gemakkelijkste hulpmiddel om het noorden te bepalen. Er zijn verschillende soorten kompassen. Elk kompas bestaat uit de volgende onderdelen:
1) Een kompashuis, waar spiegel en roos aan zijn bevestigd.
2) Een roos, die in het huis kan draaien en verdeeld is in graden.
3) De spiegel, deze moet je in een hoek van 45 graden omlaag zetten.
4) De naald, het belangrijkste onderdeel. Deze heeft de eigenschap dat zij altijd naar het magnetische noorden wijst. Het noorden wordt met de rode pijl en het zuiden met de witte pijl aangegeven. De naald wijst alleen nauwkeurig naar het magnetisch noorden wanneer er geen ijzeren voorwerpen, elektrische geleidingen en dergelijke in de buurt zijn. Denk ook aan je zaklantaarn of fiets.
5) Een vizierrichting, waarmee je het kompas kunt richten.
6) Het afleespunt, aangebracht op het huis waar de gevonden richting afgelezen wordt.
7) Het deksel van het kompas
Een kompasroos kan verdeeld worden in 64 streken. Iedereen kent wel de vier hoofdstreken, omdat dit niet een heel duidelijke verdeling is, is er tussen die hoofdwindstreken nog een windstreek gemaakt, de hoofdtussenstreek. Ook tussen de hoofdtussenstreek is weer een windstreek gemaakt, de tussenstreek. En tot slot, iets dat niet veel gebruikt wordt maar wel leuk is om te weten: ook de tussenstreken zijn weer door het midden gedeeld, met de tenstreek of bijstreek. En deze bijstreken zijn weer verdeeld in halve streken en zo kom je op een verdeling van 64 streken:
4 Hoofdstreken: noord, oost, zuid en west.
4 Hoofdtussenstreken: noordoost, zuidoost, zuidwest en noordwest.
8 Tussenstreken: nno, ono, ozo, zzo, zzw, wzw, wnw en nnw.
16 Bij- of tenstreken: nto, notn (spreek uit: noord-oost ten oosten), noto, otn, otz, zoto, zotz, zto, ztw, zwtz, zwtw, wtz, wtn, nwtw, nwtn en ntw.
Eerst even een algemene uitleg over het graden schieten met een kompas. Dit is de basis voor de vijf handgrepen. Kijk in de spiegel van het kompas. Nu zie je langs de kompasroos allemaal cijfertjes staan. Namelijk van 0 tot 360. Het kompasroos kan je draaien, draai nu je kompas zo dat het gegeven aantal graden bovenaan het kompas komt te staan. Dus op het punt het verste van je af. Meestal staat dit aangegeven met een klein pijltje op het kompas. Draai nu het kompas net zo lang totdat het noorden van de kompasnaald het noorden is die op het kompasroos staat aangegeven. Loop nu in de lengte richting van het kompas. Meestal is het handig om in de richting van een vast voorwerp te lopen die in de lijn van het kompas staat. Vanaf dit voorwerp kan je vervolgens opnieuw de richting bekijken, zodat je afwijking klein blijft.
Handgreep 1: Een op de kaart uitgezette richting overnemen op het kompas.
Je wilt van punt A op de kaart naar punt B. Trek een dunne potloodlijn van A naar B. Zet het kompas met de richtingszijde langs deze lijn. Draai nu de roos van het kompas zodanig, dat de NZ-lijn van het kompas evenwijdig loopt met de verticale (N-Z) lijnen van de kaart (het N naar de bovenkant van de kaart wijzend). Lees nu bij het afleespunt de gezochte richting af. Dit is de kompasrichting waar je naar toe moet (punt B). De naald gebruik je dus helemaal niet!
Handgreep 2: De op het kompas ingestelde richting overbrengen in het terrein.
Door middel van de vorige handgreep heb je op het kompas de gewenste richting van A naar B vastgelegd. Nu zet je de spiegel uit onder een hoek van 45 graden. Je gaat in A staan. Je houdt het kompas geopend voor je. Je kijkt door of over het vizier en gelijktijdig via de spiegel naar de naald. Je mag de roos nu niet meer verdraaien.
Nu draai je jezelf zolang tot de naald tussen de strepen staat. Als dat het geval is, kijk je door of over het vizier in de richting waar zich punt B bevindt. Het kan zijn dat je het inderdaad ziet, maar punt B kan ook zo ver weg liggen, dat je het zelf niet ziet. Maar je kijkt over het vizier in ieder geval in de richting van B. Als je in die richting loopt, en de looprichting tussentijds controleert door tussenpunten te bepalen, kom je uiteindelijk in B uit, ook al ligt dat kilometers weg. Deze handgreep gebruik je natuurlijk ook, als je een richting opkrijgt. Deze handgreep is eigenlijk het schieten dat hiervoor werd beschreven.
Handgreep 3: Een richting in het terrein op het kompas instellen.
Het omgekeerde van handgreep 2. Je staat in een punt A en wilt de richting weten waarin je punt B ziet liggen. We gaan nu "schieten", dat wil zeggen je kijkt over het vizier naar punt B. Vervolgens draai je de roos, tot de naald tussen de strepen staat, het magnetische noorden (via de spiegel kijken). Bij het afleespunt zie je de gevonden richting.
Handgreep 4: Een op het kompas ingestelde richting overbrengen op de kaart of op papier.
Het omgekeerde van handgreep 1. Door middel van de derde handgreep heb je nu op het kompas de richting waarin punt B ten opzichte van punt A ligt, vastgelegd. Zoek punt A - waar je stond - op de kaart op. Leg het kompas met de richtingszijde tegen punt A aan. Draai het hele kompas - en niet de roos - zodanig dat de NZ-lijn op het kompas evenwijdig loopt met de verticale (N-Z) lijnen van de kaart. Trek nu langs de de richtingszijde van het kompas een lijn, te beginnen in punt A. Verleng deze lijn eventueel. Ergens op deze lijn ligt nu punt B. De naald gebruik je dus helemaal niet!
Handgreep 5: Ontwijken van hindernissen.
Bepaal de looprichting met behulp van het kompas. Verzet nu de kompasnaald, zodat hij tussen de twee punten staat op je kompasroos. Loop en tel het aantal stappen, totdat je langs het obstakel kan. Zet de kompas weer in de oorspronkelijk stand en loop het obstakel voorbij. Als je ver genoeg bent, verzet je de kompasnaald tussen de andere twee puntjes op je kompasroos. Loop nu weer het aantal stappen, die je geteld hebt in die richting. Als je dat gedaan hebt zet je de kompasnaald weer in de oorspronkelijke richting en kan je je weg vervolgen, en ben je het obstakel kwijt.
Schiet van twee markante punten (een gebouw, toren, enz.) de richting (handgreep 3). Breng deze richting over op de kaart (handgreep 4). Je hebt nu twee lijnen op de kaart. Op het snijpunt van die twee lijnen ben je nu! Bij een kruispeiling is het belangrijk om heel nauwkeurig te werken. Geschoten met kompas vanaf onbekend punt: 312° kerktoren, 75° elektriciteitscentrale. Je staat dus op het kruispunt op de Hoenwaard.
© Waterscouting.com