Inleiding

Iedere waterwerkgroep heeft er wel een. Ze hangen achter een sterke rubberboot, de sleper of gewoon op de motorstoel van een lelievlet. Het kan een tweeslag- of een vierslagmotor zijn. Wat dit percies betekend wordt verderop behandeld. De meeste buitenboordmotoren varen op bezine welke aan boord onder vrij strenge voorschriften moet worden opgeslagen; goed geventileerd en buiten bereik van vuur, warmte of vonken. Er zijn tegenwoordig ook diesel-buitenboordmotoren. Die worden hier (nog) niet besproken.



De meeste buitenboordmotoren worden met een repeteerstarter gestart (aantrekken), maar het kan ook voorkomen dat er een startaccu aanwezig is waarmee de motor electrisch gestart wordt. Deze buitenboordmotor heeft een aansluiting die electrische spanning levert. Hiermee wordt de accu opgeladen. Op de accu kunnen ook andere dingen aangesloten zijn zoals de navigatielichten en dergelijke.

Om ongelukken te voorkomen is de buitenboordmotor voorzien van een dodemansknop. Deze knop zit vast aan de buitenboordmotor en de bestuurder. Zodra de dodemansknop van de buitenboordmotor afgetrokken wordt valt deze uit. Hiermee wordt bijvoorbeeld voorkomen dat de bestuurder tussen de draaiende schroef terecht komt als deze overboord valt of dat de boot onbestuurd doorvaart.

De brandstoftank staat ergens in de boot en wordt met een of twee slangen aangesloten op de motor. In de aanvoerslang zit een knijpbal, waarmee met de hand, voor het starten, de eerste benzine naar de motor wordt gepompt, tot de bezine kamer vol is. Als de motor eenmaal loopt wordt de bezine vanzelf aangezogen.

Een roer is niet aanwezig. De boot wordt bestuurd door de motor te draaien. Net als bij het gas geven gebeurd het sturen met kabels via de stuurstand of, bij kleinere motoren, rechtstreeks met de helmstok aan motor.

© Waterscouting.com