Hoe zeil ik harder

Een zeilwedstrijd win je niet door de regels te kennen en ook niet door gebruik te maken van wat truckjes. Bij het zeilen zijn je zeilen de motor van de boot, daarom gaan we die nader bekijken hoe we de boot op zijn hardste kunnen laten varen.

Trim van de zeilen

Door de juiste zeilstanden te gebruiken zal je boot harder kunnen gaan dan je concurrentie. Daarom is het uitermate belangrijk om gedurende de wedstrijd de zeilen goed te blijven trimmen. Maar wat is nu goed te noemen? Men zegt altijd: “Je zeilen staan goed wanneer ze net niet tegenbollen”. Wel dat is waar, maar je kan meer met je zeilen doen. Daarom gaan we eerst kijken waarom de boot vooruit gaat als het zeil wind vangt.

 

Als je gaat trimmen heb je te maken met wind. Wind ontstaat door hoge en lage druk. Luchtdeeltjes stromen van hoog naar laag. Stel je hebt 2 plaatsen op de aarde: Op plaats 1 heb je een hogere druk dan op plaats 2. In dit geval gaat de lucht dan stomen van plaats 1 naar plaats 2. Hoe groter het drukverschil tussen de verschillende plaatsen hoe harder de lucht gaat stromen. Hoe harder dus de wind zal waaien.

Hoge en lage druk heb je ook bij je zeil. Je zeil is bol:

In bovenstaande afbeelding zal de loef zijde van het zeil meer druk hebben dan de lijzijde. Het bolletje in de afbeelding stelt de mast voor en omdat men aan de andere kant het zeil tegen houdt met de grootschoot zal de wind stevig in het zeil duwen. Indien je de grootschoot goed tegenhoudt zal het zeil blijven staan. Maar omdat de wind verder wilt, kan de boot maar 1 ding doen: vooruit gaan. En hoe beter het zeil de wind opvangt, des te sneller zal de boot vooruit worden geduwd.

Nu dit te hebben beweerd komt de volgende vraag boven drijven: ’Waarom de boot vooruit gaat en niet achteruit?’
Wel dit komt door de vorm van je zeil. Door de wind gaat het zeil bol staan. Echter is de binnenkant van het zeil een kortere bocht dan de buitenkant van het zeil. Hierdoor moet de lucht aan de buitenkant van het zeil een langere weg afleggen in verhouding met de binnenkant van het zeil. Want de luchtdeeltjes stromen vanaf de mast langs beide kanten en zullen aan de andere kant van het zeil weer samenkomen. Dit verschijnsel zal er eigenlijk voor moeten zorgen dat je boot opzij gaat, vanwege de verschillende druk in het zeil. Maar omdat de luchtdeeltjes aan de buitenkant van het zeil harder moeten bewegen dat de deeltjes aan de binnenkant, zal de boot vooruit gaan bewegen.

Nu we weten waarom de boot vooruit gaat, gaan we kijken hoe we de zeilstand positief kunnen beïnvloeden. Bij zowel ruime wind als voor de wind mag de piekenval zo los staan dat er een lichte vouw ontstaat vanaf de halshoek naar de schoothoek te zien is. Bij deze 2 koersen kan het zijn dat het zeil, zeker bij wat sterkere wind, omhoogschiet. Hierdoor komt het zeil even uit balans en zal er dus snelheid verloren gaan. Om dit tegen te gaan hebben veel boten een neerhouder. Dit heeft een lelievlet echter niet, maar dit kan worden opgelost door een stevige lijn te spannen vanaf de giek naar een kikker op de mastvoet. Bij voor de wind zie je ook veel dat er mensen in het zeil gaan zitten, om het zeil mooi naar beneden te houden.

 

Tijdens het zeilen is het vrij lastig om je piekenval te veranderen qua hoogte. Wanneer je de val losmaakt komt er al snel een grote kracht op te staan die jij dan maar vast moet zien te houden. Om ongelukken (en de snelheidvermindering van de boot) te voorkomen kan je gebruik maken van het volgende trucje: Je maakt een lus in de val, let op dat je dit met een paalsteek doet want deze krijg je weer gemakkelijk los. Vervolgens zet je de vallen aardig strak. Het uiteinde van de val kan je dan door de ontstane lus doen en weer vast maken aan de kikker op de mastvoet. Zie ook de hiernaast afgebeelde afbeelding. Op de manier kan je gemakkelijk de val verstellen zonder dat je te maken heb met de grote krachten die werken op de val.

Telltales

Om de juiste zeilstand te bepalen kan je gebruik maken van telltales. Dit zijn kleine dunne draadjes  die op het grootzeil en de fok zijn geplakt. Je kan ze echter alleen gebruiken bij aan de wind en bij halve wind. Wanneer je deze gebruikt moet je ervoor zorgen dat van een felle kleur zijn, zodat ze door het zeil heen schijnen. Want de telltales aan de lijzijde zijn het belangrijkst, hier komen we zometeen op terug. Verder moet je ervoor zorgen dat ze niet met tape aan het zeil zitten geplakt, want dat beschadigd het zeil. Het kan zijn dat telltales in sommige wedstrijden verboden zijn, bekijk dit dus eerst van te voren!

Telltales op het grootzeil
De telltales zitten op dit zeil op het achterlijk. Bij een optimale zeilstand staan de telltales aan lij recht naar achteren. Indien dit niet het geval is, betekend dit dat de luchtstroming aan de lijzijde is verstoord. In dit geval moet de grootschoot worden gevierd of kan er opgeloefd worden. Bij de aan de windse koers kan je zo scherp varen zolang het grootzeil net niet tegenbolt bij de mast. Bij deze zeilstand zullen alle telltales recht naar achteren wijzen.

Telltales op de fok
Deze telltales zitten bevestigd op het voorlijk. Bij de optimale zeilstand wijzen de telltales aan de lijzijde recht naar achteren. Wanneer de boot teveel oploeft of de fok te strak wordt aangetrokken, dan gaan de telltales aan de loefzijde onrustig heen-en-weer klapperen. De boot moet dan afvallen of de fok moet losser worden bediend. Indien de telltales aan lij gaan klapperen betekend dit dat de boot te veel is afgevallen of dat de fok te los wordt bediend.

Trim bij weinig wind

 

Bij weinig wind kan het voorkomen dat het zeil niet zijn vorm behoud, doordat er te weinig wind is. Daarom zijn er bepaalde manieren om het zeil te helpen. Onder andere doe je dit door aan de lijzijde van de boot te gaan zitten, om ervoor te zorgen dat de wind goed in het zeil blijft staan. Wat je ook kan doen is meer naar voren te gaan zitten, hierdoor komt de spiegel uit het water en dit verminderd de weerstand van de boot met het water. Let er wel op dat de boot niet te schuin komt te liggen en ook dat er nog wel roer kan worden gegeven. Verder gaat het bij weinig wind meer om snelheid dan om hoogte, dus moet je niet al te hoog aan de wind gaan varen.

Bij weinig wind wil je veel bolling in je zeil hebben, dit doe je door de grootschoot aan de loefzijde van de boot vast te maken. Dit kan je doen door gebruik te maken van een lijoog, zie de afbeelding hiernaast. Voor de fok wil je ook een grote bolling in het zeil hebben, dit doe je bij de fok door deze schoot vast te maken aan het voorste lijoog. Hierdoor kan de fok mooi bol naar buiten gaan staan, net als het grootzeil.

Trim bij gewone wind

Wanneer de wind in kracht toeneemt, hoeven er minder personen aan de lijzijde van de boot te zitten. Men zorgt ervoor dat de gewichtsverdeling in de boot optimaal is door ervoor te zorgen dat de boot gewoon horizontaal in het water ligt, dit geldt ook ervoor dat de punt niet te diep ligt, zoals bij weinig wind. De enige uitzondering hierop is ruime wind of voor de wind varen. De grootschoot wordt nu weer aan het gewone oog vast gemaakt en men zal nu ook scherper aan de wind kunnen gaan varen zonder snelheid te verliezen. Omdat de wind harder is dan bij weinig wind, kan de fok ook strak worden aangetrokken, indien dit niet verder kan dor het lijoog kan men de fokkeschoot ook een lijoog verder naar achter vastmaken.

Trim bij veel wind

Bij veel wind moet men er opnieuw voor zorgen dat de boot horizontaal in het water ligt. Dit doet men over het algemeen door iedereen aan de loefzijde van de boot te plaatsen. Indien het kan en ook noodzakelijk is voor de boot kan het zijn dat de roerganger aan de lijzijde(!) gaat zitten. Hij kan de boten aan de lijzijde van het schip bekijken en tevens gewoon kijken waar hij heen moet sturen. Indien de wind zo krachtig is dat de boot gemakkelijk water schept moet er wind worden geloodst, dit kan je doen door je zeilen losser te zetten of door ze te reven. En ook hier kan men de punt van de boot dieper in het water leggen bij een voor de windse koers door verder naar voren in de boot te gaan zitten.

© Waterscouting.com